dinsdag 5 maart 2013

Feit en fictie

Altijd een leuk tijdverdrijf: in een roman, een toneelstuk of een gedicht nagaan in hoeverre de feiten gegrepen zijn uit het leven van de schrijver of dichter. Menig recensent kan het niet laten. Menig lezer weet dat het daar niet om gaat. Of een roman enz. nou het resultaat is van de verbeelding van de schrijver of stoelt op autobiografische gebeurtenissen, in beide gevallen is de vertelling een Wereld in Woorden (Samuel Dresden, 1965)

Ik verzin nooit iets”, zei Harry Mulisch om aan te geven dat zijn romans stuk voor stuk gebaseerd zijn op voorvallen uit de werkelijkheid. Toch zal men hem, bij mijn weten,  nooit betrappen op een roman in de ik-vorm. Er zijn echter ook veel romans geschreven met een ik als hoofdpersoon en elke geoefende lezer weet dat hij die ik niet moet verwarren met de verteller. In de zkv’s (zeer korte verhalen) van A.L.Snijders daarentegen is er geen twijfel mogelijk: de ik in elk verhaaltje is zonder meer steeds de schrijver zelf.

Christine Otten
De laatste jaren echter verschijnen er steeds meer romans waarin het wat gecompliceerder ligt: de schrijver voert zichzelf op als personage in zijn roman en geeft dat personage zonder aarzelen zijn eigen naam. In veel romans van Maarten ’t Hart bijvoorbeeld heet de hoofdpersoon Maarten. Is hier sprake van een nieuw speeltje uit de trukendoos van de schrijver? Wil de schrijver hiermee de lezer verleiden te geloven dat het allemaal echt gebeurd is?

Een recent voorbeeld is de nieuwste roman van Christine Otten, Om Adem te Kunnen Halen. Bij de presentatie van het boek in haar geboorteplaats Deventer, deelde ze mee: “Het is allemaal echt, maar ik schrijf het op als fictie”. Blijkbaar vindt ze dat belangrijk voor haar lezers om te weten. Ze schrijft ongegeneerd over haar verhouding met haar vader, die een psychiatrisch patiënt is (feit). Maar ze kruipt ook in de huid van haar vader, die als personage in de derde persoon  opgevoerd wordt (fictie).


Michel Houellebecq
Heel bont maakt Michel Houellebecq het in zijn laatste roman, La Carte et le Territoire (De Kaart en het Gebied). In deze in 2010 met de Prix Goncourt bekroonde roman heet zijn hoofdpersoon Michel Houellebecq en dit personage wordt op het eind van de roman vermoord. Hoewel hij in de literaire wereld en bij fanatieke moslims  genoeg vijanden heeft, is dit verzinsel nog niet uitgekomen. Het blijft een merkwaardige melange van feit en fictie.

Tahar Ben Jelloun
Veel subtieler gaat de in het Franse schrijvende Marokkaanse schrijver Tahar Ben Jelloun om met de vermenging van feit en fictie. In zijn jongste roman, Le Bonheur Conjugal (Het Huwelijksgeluk) geeft hij de zoveelste illustratie van de beginzin van de bekendste roman van Leo Tolstoj. Die luidt: Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze. De roman van Ben Jelloun is verdeeld in twee delen. In het eerste deel, L’Homme qui aimait trop les Femmes (De Man die teveel van vrouwen hield), vertelt hij over een man in de derde persoon, die geteisterd wordt door zijn egocentrische en egoïstische vrouw. Hij laat niks na om medelijden  bij de lezer op te wekken voor die man en om die vrouw te verafschuwen. In het tweede deel komt de vouw als ik-figuur aan het woord. De lezer is bij voorbaat gewaarschuwd, want dat tweede deel heet: Ma Version des Faits (Mijn versie van de feiten); ondertitel: “Réponse à “L’homme qui aimait trop les femmes”. Vooraanstaande recensenten wijzen erop dat Ben Jelloun in deze roman zijn eigen problematiek heeft verwoord. Het raffinement van de verteller bestaat er dus in dat hij zijn versie vertelt in de derde persoon en vervolgens in de huid van zijn echtgenote kruipt om haar verhaal in de eerste persoon te vertellen. Een omdraaiing van feit en fictie.

In poëzie vinden we het sinds de Tachtigers heel normaal dat de dichter zijn persoonlijk leed bezingt: de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie. Ondanks Willem Kloos en de zijnen ligt het in poëzie toch vaak ook anders en dat besef hebben we te danken aan niemand minder dan Arthur Rimbaud, die decreteerde: “Je est un autre” (“Ik is een ander”). Een gedicht waarin de ik zonder twijfel samenvalt met de dichter is het chanson van Barbara, Nantes, waarin ze op ontroerende wijze zingt over de dood van haar vader ( een chanson is een gedicht dat op muziek is gezet). Het is een van de aangrijpendste chansons die ik ken. Ik noem het hier omdat het een voorbeeld bevat van invloed van fictie op de werkelijkheid: om haar vader in zijn stervensuur bij te staan, is ze opgeroepen om naar de Rue de la Grange aux Loups (de Wolvenschuurstraat) te gaan. In de tijd dat Barbara het chanson schreef  bestond die straat niet, maar het chanson is zo populair geworden dat het gemeentebestuur van Nantes ter ere van Barbara besloten heeft  die naam aan een straat in Nantes te geven. Er moeten vast wel meer voorbeelden zijn van zo’n aanpassing van feit aan fictie.


Overigens wijs ik erop dat de meeste romans van Tahar Ben Jelloun in het Nederlands vertaald zijn. Ook hem is de Prix Goncourt toegekend, in 1987 voor La Nuit Sacrée (Gewijde Nacht). Ik beveel zijn romans van harte aan, zodat u weet over wie het gaat als hij in 2019 de Nobelprijs voor literatuur krijgt. Natuurlijk zijn ook de romans van Michel Houellebecq vertaald, maar voor die schrijver moet men wel beschikken over een stevige maag.

Jan Foeter

1 opmerking:

  1. De roman 'Twee vrouwen' van Harry Mulisch is in de ik-vorm geschreven.

    BeantwoordenVerwijderen