woensdag 25 september 2013

Een intiem geluid voor een groot publiek

Een interview met Delphine de Vigan

Op een prachtige lentedag in april mocht ik Delphine de Vigan interviewen aan een Amsterdamse gracht.
Zij was in Nederland om de Prix du Jeune Lecteur uit te reiken aan scholieren die een winnend essay hadden geschreven over “No et moi”, haar welbekende boek dat ook verfilmd is.
Tevens was haar nieuwste boek “Rien ne s’oppose à la nuit” in een Nederlandse vertaling enige weken hiervoor verschenen bij uitgeverij De Geus.

Delphine de Vigan (links) in gesprek met Sandra van Die
Op mijn vraag of zij ook meegewerkt heeft aan de productie van de film vertelt ze dat het schrijven van een boek en het maken van een film voor haar twee hele verschillende takken van kunst zijn. De schrijver van een boek heeft een andere bedoeling dan de maker van een film. Zij moeten elkaar dan ook volledig vrij laten, is haar mening.
Als schrijfster van “No et moi”(2007) zou ze nooit tevens de film zelf kunnen maken. Dat zou voor haar een soort verraad aan haar geschreven werk zijn.
Ze heeft het script dus ook niet van tevoren gelezen maar verklaart wel heel blij te zijn met het resultaat. Er zijn nog twee films in de maak, gebaseerd op haar boeken “Un soir de décembre” (2005) en “Les heures souterraines” (2009).

Wat betreft het maken van films: dat is voor haar een nieuwe uitdaging. Ze is momenteel in de afrondende fase van haar eerste film “A coup sûr”, volgens haar zeggen een lichtvoetige komedie die over een maand klaar moet zijn.

Het idee voor “No et moi”, over de bizarre vriendschap tussen het  vroegwijze meisje Lou en de dakloze jonge vrouw No kwam bij haar op toen ze in het echte leven oog in oog stond met een tenger meisje van rond de 18 jaar, die op straat leefde. Delphine had nooit beseft dat er zoveel jonge vrouwen dakloos zijn.
Het onderwerp van haar boeken is nooit “bedacht” maar is altijd een beschrijving van een emotie of een beeld dat zich aan haar opdringt. Zo zijn haar boeken niet bewust maatschappelijk geëngageerd, maar wordt ze wel soms bestempeld als een linkse schrijfster.  Dat gebeurde zeker ook toen haar volgende boek (“Les heures souterraines”) over het harde leven in een onderneming op wrange wijze erg actueel werd met tientallen zelfmoorden door werknemers van o.a. France Télécom.
De roman was niet een persoonlijk protest of een politieke daad, maar ze is uiteindelijk wel tevreden met het feit dat hij in dit kader gepubliceerd werd. Op deze manier gaan boeken een eigen leven leiden. Schrijven is voor haar veel meer een intieme, persoonlijke bezigheid en niet zozeer iets dat in het teken moet staan van de politiek.

Het gegeven dat No in het boek liefdevol wordt opgenomen in het kleine gezin van Lou (met verder alleen een vader en een moeder) is niet zozeer een dwingend voorbeeld voor hoe het zou moeten gaan in het normale leven. Het is eerder een beschrijving van een totaal ontredderd gezin met als achtergrond het verdriet van de depressieve moeder over het verlies van haar baby. Door puur toeval ontstaat deze onwaarschijnlijke situatie. Elk “normaal denkend” echtpaar zou zich wel twee keer bedenken voordat het instemt met de komst van een totaal onbekend, losgeslagen en ontheemd meisje in hun huis.
Het boeit de schrijfster vooral hoe dit heeft kunnen gebeuren. Juist in hun kwetsbaarheid komen ze terecht in een situatie die voor een ander onacceptabel zou zijn. Uiteindelijk wordt het gezin, juist door deze absurde keuze, weer wat gelukkiger en valt alles meer op zijn plaats.

Wellicht is het ook niet helemaal toevallig dat de moeder depressief is en haar dochter aan haar lot overlaat, wat ook als rode draad in het leven van Delphine zelf speelt, zo lezen we in haar nieuwste roman “Rien ne s’oppose à la nuit”.
In Frankrijk heeft dit boek, uitgekomen in 2011, al vele prijzen gewonnen, iets wat de schrijfster zelf ook heeft verrast.


Persoonlijk ben ik erg geraakt bij het lezen van dit boek over de jeugd van haar manisch-depressieve
moeder Lucille en het relaas over het leven als dochter van deze bijzondere vrouw, die op 61-jarige leeftijd zelf kiest voor de dood.
Delphine is in haar boek erg openhartig over zaken die speelden (en spelen) in haar familie van moeders kant. Zo komen de incest van opa George, die verder een erg innemende man is, de zelfmoorden van meerdere familieleden en natuurlijk de ziekteperiodes van haar moeder uitgebreid aan de orde.
Als dochter gaat Delphine op zoek naar wie haar moeder nu precies was. Daarvoor maakt ze een ronde langs haar grote familie (voornamelijk broers en zussen van haar moeder) die merendeels zeer openhartig is, maar ook vanwege de verschillende perspectieven zorgt voor twijfel over de precieze gang van zaken. Dat maakt het boek mijns inziens juist heel interessant, omdat dit in het dagelijkse leven niet anders gaat.

Op de vraag of ze ooit getwijfeld heeft of ze het boek wel zou uitgeven, antwoordt ze dat ze het van begin af aan heeft geschreven met de bedoeling om het naar buiten te brengen. Als dat niet zo was, zou het een ander boek zijn geworden. Alleen haar zus Manon zou het recht hebben gehad om haar veto uit te spreken. Dit heeft geleid tot wat aanpassingen van zaken die Manon te pijnlijk en te persoonlijk vond om naar buiten te brengen. Ze kreeg wel haar toestemming.

Natuurlijk heeft Delphine zelf enorm getwijfeld en was ze bang voor de reacties voor haar familie (dit beschrijft ze ook prachtig in het boek). Gaan ze dit boek accepteren? Verandert dit boek niet drastisch de relatie met haar familieleden? Uiteindelijk hebben ze veel respect getoond voor het eindresultaat.
Het onderwerp van haar volgende boek is nog niet bekend: ze is er nog niet aan begonnen en heeft zichzelf een korte pauze beloofd vanwege alle stormachtige belangstelling die ze heeft ervaren vanwege het succes van dit boek.

Rest ons dus om voorlopig uit te kijken naar haar eigen film (“A coup sûr”) en de verfilmingen van twee andere boeken, die op de rol staan.

Sandra van Die

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen